Emotietechnologie en mentale gezondheidsdata reguleren: twee vragen om bij stil te staan
30 april 2026
Het recente boek van Elisabeth Steindl, A Datafied Mind, roept twee vragen op waar ik steeds op terugkom. Het boek richt zich op EU-regulering van emotietechnologie en neurotechnologie, en een van de vier gebruiksgevallen die ze uitvoerig bespreekt, is geestelijke gezondheid en welzijn. Ze schetst daarin een genuanceerd beeld van de huidige uitdagingen, met concrete voorbeelden, waaronder een aantal beruchte gevallen waarbij het misloopt, zoals Doctena en Vastaamo.
Het belang van toekomstig datagebruik
In de EU is het onderscheid tussen persoonlijke en niet-persoonlijke data cruciaal. Binnen persoonlijke data onderscheiden we ook gevoelige en niet-gevoelige data. Het verzamelen van gevoelige persoonlijke data gaat gepaard met waarborgen en voorzorgsmaatregelen. Tegelijk zien we steeds vaker apparaten die enorme hoeveelheden data verzamelen. Niet alle data is al volledig interpreteerbaar of in staat om ons relevante informatie over onze (geestelijke) gezondheid te bieden. Maar door vooruitgang in data-analyse zou dergelijke informatie in de nabije toekomst wel kunnen worden geëxtraheerd. In hoeverre zullen we dan nog kunnen spreken van niet-gevoelige data? Dit raakt me ook persoonlijk sterk, na verschillende gesprekken met DPO’s de afgelopen maanden over uitdagingen rond gegevensuitwisselingsovereenkomsten.
De positie van Digital mental health in de EU-regelgeving
Er is een groeiende bezorgdheid dat de manier waarop Digital mental health apps momenteel in de EU worden gereguleerd (als klasse IIa medische hulpmiddelen) suboptimaal is. De hoge kosten en vereisten die daarmee gepaard gaan, hebben ertoe geleid dat meer apparaten ervoor kiezen geen certificering aan te vragen. Mogelijke oplossingen omvatten het herclassificeren van geestelijke gezondheids-apps als klasse I, of het afzonderlijk aanpakken van Digital mental health binnen de MDR — bijvoorbeeld door een voorwaardelijke MDR-vrijstelling aan te bieden na een kwaliteits- en doeltreffendheidsbeoordeling en het verkrijgen van een GDPR-certificaat, hoewel dergelijke hervormingen nog volop ter discussie staan.
Zoals veel onderzoekers en clinici wil ik dat het domein zo snel mogelijk vooruitgaat. Tegelijk denk ik dat we ook het belang moeten erkennen van voldoende aandacht voor regels en regelgeving. Gezien de gevoelige aard van dit domein en de risico’s die gepaard gaan wanneer het misgaat, is dat absoluut essentieel. Analyses zoals die in dit boek maken complexe juridische vraagstukken tastbaar en concreet, en inspireren hopelijk ook verbeteringen in veilige en effectieve praktijkvoering.
A Datafied Mind is beschikbaar hier.