The internet and CBT: a clinical guide

TheInternetandCBTNaarmate het internet meer toegankelijk werd, nam ook het belang ervan toe voor de maatschappij. Wat begon als een veredelde  digitale encyclopedie, evolueerde al snel naar een medium dat ondertussen een centrale plaats inneemt in het dagelijks leven van miljarden mensen wereldwijd. Via het internet is het tegenwoordig mogelijk om sociale contacten te onderhouden, producten aan te kopen en financiën te beheren. Het potentieel hiervan is ook de geestelijke gezondheidszorg niet ontgaan. Op minder dan twee decennia was er een explosieve toename aan online informatie, maar ook in interventies voor wie rond geestelijke gezondheid wil werken, zowel preventief als curatief. De Zweedse professor en klinisch psycholoog – psychotherapeut Gerhard Andersson (2014) probeert in The internet and CBT: a clinical guide orde te brengen in het kluwen van mogelijkheden. Zijn doel is tweeledig: enerzijds wil hij hulpverleners van de nodige informatie voorzien om zelf om te gaan met de uitdagingen die de online innovaties nu al met zich meebrengen. Anderzijds biedt hij ook een kritisch en gedetailleerd overzicht van de huidige evidentie rond de effectiviteit van diverse online benaderingen. Andersson is daar uitstekend voor geplaatst: vanuit de cognitieve gedragstherapie (CGT) begon hij als een van de allereerste onderzoekers het effect van online interventies te bestuderen (Ström, Pettersson, & Andersson, 2000). In eerste instantie lag de focus enkel op de behandeling van hoofdpijn, maar al gauw breidde de scope uit naar verschillende vormen van psychopathologie.

Gedetailleerd overzicht
In 11 hoofdstukken probeert Andersson orde te scheppen in de online chaos. Na een korte introductie, wordt er in het tweede hoofdstuk stilgestaan bij wat er momenteel vrij online beschikbaar is, zowel voor hulpverleners als voor cliënten. Daarbij is er ook aandacht voor de kwalijke kantjes van de proliferatie van onze online leefwereld: hoe kan een therapeut de kwaliteit van hulpverleningswebsites inschatten en wat met problematisch internetgebruik? In hoofdstuk drie komen online zelfhulpgroepen aan bod: zowel hun inhoud, als wat een therapeut erover kan vertellen in begeleidingen. In hoofdstuk vier volgt informatie over hoe het online afnemen van vragenlijsten praktisch verloopt en wat de psychometrische eigenschappen zijn van deze online vragenlijsten in vergelijking met de oude pen-en-papier aanpak. Hoofdstuk vijf biedt vervolgens een overzicht van ongeleide CGT: er komen voorbeelden aan bod en de effectiviteit en therapietrouw worden besproken. Daarbij is er ook aandacht voor hoe deze programma’s te combineren zijn met reguliere face-to-face therapie.
Hoofdstuk zes is een rustpunt: hier wordt een belangrijk concept van dit boek geïntroduceerd, begeleide online CGT. Deze specifieke therapievorm krijgt een prominente plaats in het boek. De rol van de therapeut wordt besproken, de effectiviteit wordt uitgelicht en percepties en ethische bedenkingen komen aan bod. Hoofdstukken zeven, acht en negen focussen vervolgens op de toepassingen voor depressie, angst en somatische stoornissen. Hierbij krijgt de lezer een gedetailleerd overzicht van alle bestaande programma’s waarvoor er momenteel al onderzoeksevidentie is. In het tiende hoofdstuk wordt er een restcategorie besproken: andere online CGT-toepassing waaronder realtime online therapie en het gebruik van smartphones. Als afsluiter volgt ten slotte een persoonlijke reflectie van de auteur en een vooruitblik op wat de toekomst kan brengen.

Hoofdstuk zes is een rustpunt: hier wordt een belangrijk concept van dit boek geïntroduceerd, begeleide online CGT. Deze specifieke therapievorm krijgt een prominente plaats in het boek. De rol van de therapeut wordt besproken, de effectiviteit wordt uitgelicht en percepties en ethische bedenkingen komen aan bod. Hoofdstukken zeven, acht en negen focussen vervolgens op de toepassingen voor depressie, angst en somatische stoornissen. Hierbij krijgt de lezer een gedetailleerd overzicht van alle bestaande programma’s waarvoor er momenteel al onderzoeksevidentie is. In het tiende hoofdstuk wordt er een restcategorie besproken: andere online CGT-toepassing waaronder realtime online therapie en het gebruik van smartphones. Als afsluiter volgt ten slotte een persoonlijke reflectie van de auteur en een vooruitblik op wat de toekomst kan brengen.

Sterk gestructureerd
Doorheen het boek doet Andersson zijn uiterste best om de leeservaring zo gemakkelijk en gestructureerd mogelijk te laten verlopen. Tabellen zijn talrijk aanwezig, een welgekomen hulp om het overzicht te behouden van alle studies die worden besproken. Als lezer krijg je echter nog meer ondersteuning bij het doornemen van het boek. Elk hoofdstuk volgt namelijk een vaste structuur: bij aanvang wordt er duidelijk gemaakt wat je in dit onderdeel ‘zal leren’, op het einde volgt een herneming van de voornaamste ideeën en van de mogelijke implicaties voor de klinische praktijk. Doorheen het hoofdstuk worden telkens verschillende voorbeelden aangehaald om concepten te concretiseren en helemaal op het einde van elk hoofdstuk wordt er een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de referenties en warm aanbevolen, verdiepende literatuur. De schrijfstijl is wetenschappelijk, maar ook persoonlijk: doorheen het boek deelt Andersson af en toe ook zijn mening met de lezer of haalt hij persoonlijke anekdotes aan. Dit maakt dat het boek voldoende gestoffeerd is, maar toch aangenaam en vlot leest. De kwaliteit van de schermafbeeldingen die af en toe ter illustratie zijn toegevoegd, zijn echter van bedroevende kwaliteit, maar dat valt op zich te vergeven.

Detailkritiek
Een goede omkadering dus, en ook op wat er neergeschreven staat, is weinig aan te merken. Er zijn echter ook een aantal kanttekeningen te maken. Een eerste is dat Andersson de pretentie heeft om het domein van online CGT heel exhaustief te bespreken, maar dat hij het moeilijk heeft om die ambitie waar te maken. Zijn roots liggen in eerste instantie bij online CGT met ondersteuning van een therapeut en deze specifieke benadering komt dan ook het meest prominent aan bod. Smartphonetoepassingen worden bijvoorbeeld gereduceerd tot een enkele pagina. Vanuit een onderzoeksperspectief, valt hier inderdaad nog relatief weinig over te zeggen, maar wie verwachtte meer te weten te komen in dit boek over de specifieke mogelijkheden van apps, komt enigszins bedrogen uit. Een tweede kanttekening valt te maken bij de ogenschijnlijke spreidstand tussen theorie en praktijk waar het boek mee spartelt. Als individuele therapeut zijn de eerste vijf hoofdstukken niet alleen heel informatief, maar ook praktisch heel bruikbaar: hoe je best omgaat met informatie online, hoe je zelfhulpgroepen een plaats geeft binnen je begeleidingen… zijn heel valide vragen waar een duidelijk en bruikbaar antwoord op wordt geformuleerd. De zes daaropvolgende hoofdstukken gaan echter dieper in op een niche waar een individuele therapeut misschien wel een boodschap aan heeft, maar waarvan de praktische relevantie beperkt blijft tot het weten ‘dat het bestaat en hoe goed het werkt (of juist niet)’. Een derde kanttekening heeft betrekking op een aspect dat in mijn ogen nog ontbreekt in het boek: een stukje zelfkritiek. Zo haalt de auteur in het concluderende hoofdstuk aan dat blended hulpverlening best wel eens een prominente rol zou kunnen spelen in de toekomst van de CGT, maar gaat hij voorbij aan de praktische bezwaren die er mogelijk zijn om dat ongedifferentieerd voor alle toepassingsvormen te doen. Het boek hoort natuurlijk enthousiasmerend te werken en dat doet het ook. Als een autoriteit zoals Andersson het echter nalaat om expliciet op de terechte risico’s te wijzen van een implementatie zonder meer, dan is dat kaf op de molen van zij die argumenteren dat e-health toepassingen liefst zo snel mogelijk en overal ongevalideerd mogen worden ingevoerd. Dat dit een reëel risico is, merkten Ruwaard en Kok (2015) eerder al terecht op.

Samenvattend
In conclusie mag er echter geen twijfel bestaan over het feit dat dit een uitstekend boek is dat een gedetailleerd beeld schets van een domein in volle ontwikkeling. Andersson heeft hierbij zijn best gedaan om zo veel mogelijk de vertaalslag te maken vanuit (toegepast) wetenschappelijk onderzoek naar de klinische praktijk. Het eindresultaat is een product dat niet alleen geschikt is als eerste kennismaking met online CGT, maar ook een referentiewerk rond de wetenschappelijke onderbouwing ervan, in het bijzonder voor online begeleide CGT.

Referenties

  • Ruwaard, J. & Kok, R.N. (2014). Wild West eHealth: Time to hold our horses? The European Health Psychologist, 171(1), 45-49.
  • Ström, L., Pettersson, R., & Andersson, G. (2000). A controlled trial of self-help treatment of recurrent headache conducted via the Internet. Journal of consulting and clinical psychology68(4), 722-727.

Meer lezen? The internet and CBT: a clinical guide. Gerhard Andersson. CRC Press. ISBN: 9781444170214.

Deze recensie is ook verschenen als een artikel in het Tijdschrift voor Gedragstherapie en cognitieve therapie.

Handboek online hulpverlening. Met internet Zorg en Welzijn verbeteren

hoh managementIn 2010 verscheen het Handboek online hulpverlening. Het had toen als doel om een helder beeld te schetsen van het concept ‘online hulpverlening’ en hoe een organisatie in de gezondheidszorg dit stap voor stap kan uitbouwen. Met de tijd verandert namelijk alles, ook (of misschien zelfs zeker) online hulpverlening. Eind 2013 verscheen dan ook een geheel herziene druk: geschreven door 12 experts ter zake, opnieuw onder de redactie van Frank Schalken.

Meervoud
Wat meteen opvalt is dat het niet meer om één handboek, maar om twee handboeken gaat: er is namelijk zowel een management-, als een onderwijseditie. De eerste richt zich op hulpverleners die online aan de slag willen of organisaties die een online hulpaanbod willen (door)ontwikkelen, de tweede focust eerder op studenten die zich oriënteren op online hulpverlening of onderwijsinstellingen die hun aanbod willen uitbreiden verbeteren. Wie beide versies vergelijkt, merkt echter dat deze sterk gelijk lopen. De managementeditie mag dan wel een duurdere hardcover zijn en de onderwijseditie een goedkopere softcover, inhoudelijk zijn beide versies nagenoeg identiek. De managementeditie bestaat uit drie delen: oriëntatie, voorbereiding en organisatie en uitvoering; de onderwijseditie moet het enkel zonder het tweede deel, voorbereiding, stellen. Hoewel er op de cover sprake is van extra ondersteunend materiaal online, blijkt dit zich echter te beperken tot een enkel PDF-document met printscreens van de aangehaalde websites en bijhorende links.

Onderbouwd & genuaceerd enthousiasme
Voor de focus op de eigenlijke inhoud, wordt de meest uitgebreide versie, de managementeditie als vertrekpunt genomen. Deel 1 vangt aan met een ruime oriëntatie. Het concept online hulpverlening wordt grondig geïntroduceerd en ook de ruimere context wordt uit de doeken gedaan: eerst wordt er stilgestaan bij de veranderde maatschappij, digitalisering en toenemende online (inter)actie. Vervolgens wordt over gegaan naar de effectiviteit van online initiatieven: wat is er geweten rond de werkzaamheid? Verder worden de mogelijke reden om voor een online hulpaanbod te kiezen en de mogelijke motivaties om online hulpverlening in het reguliere aanbod te integreren belicht. Ten slotte  staan de auteurs ook stil bij de verschillende types online hulpvormen. Je hoeft hierbij niet te vrezen voor een eenzijdige, jubelende aanpak: er is hierbij voldoende ruimte voor nuances, voor- en nadelen en wetenschappelijke onderbouwing.

Deel 2, voorbereiding en organisatie, is eerder technisch, maar nog steeds dicht bij huis voor psychologen: hoe online hulp implementeren, een hulpverleningsconcept ontwikkelen en interactie vormen inrichten. Ook het schrijven van aangepaste teksten, optimale manieren om de doelgroep te bereiken en zelfs recht (al gaat het hier om de Nederlandse situatie – en is de pure letter van de wet minder interessant voor Vlaanderen) kunnen nog enigszins vertrouwd zijn. Techniek en veiligheid, de laatste twee bijdrages, zijn waarschijnlijk dan weer wel buiten de comfortortzone. Deze zijn echter niet alleen nuttig, maar ook heel begrijpelijk geduid.

Deel 3, het laatste deel, staat stil bij de uitvoering en stelt praktische ervaring, de ‘hands-on’ centraal: het belicht de specifieke skills die nodig zijn om synchroon en asynchroon online te communiceren, online hulpverlening wordt afgezet tegenover face to face (met zowel gelijkenissen als verschillen) en een laatste bijdrage staat stil bij de kwaliteit van de hulpverlening: hoe dit garanderen op het niveau van de professional (met de eigenschappen van de competente online hulpverelener), maar ook vanuit de organisatie (eigenschappen van de competente leidinggevende).

Up to date overzichtswerk
Een rode draad doorheen het boek is de nadruk op het feit dat online hulpverlening ondertussen niet (meer) zomaar een apart kanaal is dat laagdrempelige zorg promoot, maar dat het kan worden verweven met reguliere zorg. Deze (subtiele) shift in focus lijkt de juiste richting voor een boek dat opnieuw goed afgestemd is op wat er binnen online hulp leeft. Het is dan ook een volledig naslagwerk, een synthese en state of the art van het huidige landschap van de online hulpverlening. Het handboek werd met veel zorg samengesteld, waardoor het een vlotte leeservaring garandeert en zowel relevant is voor wie momenteel al vertrouwd is met het domein, als voor de professional die het nog maar net leert kennen.

Meer lezen? Handboek online hulpverlening. Met internet Zorg en Welzijn verbeteren. Bohn Stafleu van Loghum. ISBN: 9789036803748 (Managementeditie) & 9789036803762 (Onderwijseditie).

Dit artikel is ook verschenen in Psychologos. Download het hier in de originele lay-out.