Verborgen kopzorgen. Bekende mensen over de kracht van imperfectie

Spotlight op de stille strijd

Rond psychische stoornissen en hulpverlening hangt er nog veel stigma. Psychologe Leslie Hodge wil helpen om dit te doorbreken. Hiervoor zocht ze steun bij bekende Vlamingen, kortweg BV’s. In de media worden zij namelijk vaak van hun beste kant getoond: de Vlaming kijkt bewonderend naar hen op en spiegelt zich aan hen. Omdat BV’s nu eenmaal ook mensen zijn, kampen sommigen onder hen  – net zoals 1 op 3 Vlamingen – echter met psychische problemen. Om het brede publiek hierrond te sensibiliseren en om psychische problemen te helpen normaliseren zocht en vond ze tien rolmodellen die bereid waren om het persoonlijke verhaal rond hun ‘kopzorgen’ te delen.

Vast stramien
Elk verhaal volgt een vast stramien: een BV (waar je al dan niet vertrouwd mee bent, een korte bio geeft sowieso wat meer achtergrond mee) doet eerst zijn of haar verhaal. Vervolgens volgt hun persoonlijk advies aan mogelijke lotgenoten. Daarna voorziet de auteur duiding rond de aangehaalde psychische stoornis (bv. paniekstoornis, anorexia nervosa, burn-out, bipolaire stoornis) en wordt er afgesloten met relevante boekentips. Bij de duiding van stoornissen valt de herhaling op: fragmenten uit het verhaal komen terug om relatief abstracte concepten of criteria gekoppeld aan elke stoornis meer bevattelijk te maken. Vooral bij het eerste verhaal is die duiding redelijk extensief, waardoor het soms wat redundant aanvoelt. Naarmate je door het boek vordert, worden de quotes echter meer summier en wordt de toegevoegde waarde hiervan duidelijk.

Vlaamse steekproef
Je kan de tien verhalen zien als een steekproef van ervaringen rond geestelijke gezondheid(szorg) in Vlaanderen. En die zijn heel divers. Behandelingen waaronder cognitieve gedragstherapie, medicamenteuze behandeling, een combinatie van beiden, zelfhulpgroepen en zelfs kinesitherapie passeren de revue. Ook de manier waarop geestelijke gezondheid wordt gezien door de BV’s varieert: van een verstoorde chemische balans in de hersenen tot iets bijna spiritueel. Hetzelfde kan gezegd worden over een van de mogelijke neveneffecten van psychofarmaca: afgevlakte emoties. Sommigen geven aan dit kost wat kost te willen vermijden, anderen omarmen dit juist. Over een aantal onderwerpen zijn ze dan weer unisono: op enkele moeilijke contacten na, geven ze aan de hulpverlening als heel positief te ervaren. Ze raden dan ook allen aan om niet te twijfelen om snel (professionele) hulp te zoeken. Dat staat echter in schril contrast tot de angst die werd ervaren om erover te praten en de terughoudende of zelfs negatieve reacties uit hun omgeving. Aan stigma is er helaas nog steeds geen gebrek.

De adviezen die op het einde van elk verhaal worden geformuleerd, zijn natuurlijk persoonlijk, maar vaak vrij algemeen en (kort door de bocht) samen te vatten tot: praat erover en zoek professionele hulp. Occasioneel komen  er meer specifieke suggesties, zoals bijvoorbeeld ‘de 7 spirituele wetten van succes’. Die lijken op zich niet verkeerd, maar zijn niet meteen evidence-based. Wanneer de verhalen en aangeraden (of gevolgde) behandelingen kritisch gelezen worden, vallen soms schrijnende situaties op, zoals een huisarts die antidepressiva aanraadt bij een burn-out of het idee dat de beste behandeling bij burn-out platte rust is. Gelukkig is er op het einde van elk verhaal telkens de uitgebreide duiding bij de stoornis (inclusief behandelopties), maar wie snel een getuigenis doorneemt, loopt de kans om foutieve informatie mee te nemen.

Respectvolle insteek
Uiteindelijk zal ‘Verborgen kopzorgen’ natuurlijk heel wat lezers lokken omwille van hun interesse in het persoonlijk leven van BVs. Het boek gaat daarbij echter niet de platte toer op: binnen elk verhaal is er ruimte voor de eigen ervaringen, zelfs de eigen toon van de verteller. De interviewer mag dan overal dezelfde zijn, je hoort in de manier waarop problemen worden benaderd en zelfs in het gehanteerde taalgebruik de uniciteit van elke ervaring: de focus ligt op de mens achter de publieke persoon. Op geen enkel moment krijg je echter het gevoel een voyeur te zijn. Leslie Hodge levert namelijk precies af wat ze wou bereiken: ze neemt rolmodellen, biedt ze en respectvolle context om zich van hun kwetsbare kant te laten zien en geeft zo een belangrijke boodschap mee: kopzorgen zijn niets om je voor te schamen, het kan iedereen overkomen en aarzel niet om hulp te zoeken.

Meer lezen? Verborgen kopzorgen. Leslie Hodge. Uitgeverij Lannoo; ISBN 9789401430807.

 

e-Mental Health

E-mental health: tegenwoordige tijd of toekomst?
E-mental health kreeg de afgelopen jaren een toenemende bekendheid als containerbegrip. Hulpverleners zijn echter nog niet zo vertrouwd met de verschillende toepassingen die het overkoepelt. Mondjesmaat wordt er vanuit de geestelijke gezondheidszorg (ggz) kennis gemaakt met websites en apps, maar toepassingen als beeldbellen (zoals het gebruik van Skype of gelijkaardige toepassing die specifiek werden ontwikkeld voor de ggz), virtual reality, wearables en serious games lijken de weg naar de klinische praktijk moeilijker te vinden.

Redacteurs Davor Mucic en Donald Hilty willen met hun boek hierin verandering brengen door een overzichtelijk en diepgaand overzicht te presenteren van al wat er momenteel in dit domein leeft. Beiden zijn praktiserend psychiater: Mucic is verbonden aan het Deense Little Prince Psychiatric Centre, Hilty aan de University of Southern California. Hun doelgroep bestaat uit professionals, onderzoekers, technologen en beleidsmakers. Via de beschrijving van concrete gevalsstudies en toepassingen willen ze illustreren hoe nieuwe strategieën kunnen helpen deze technologie zinvol in te zetten. Tevens laten ze zien hoe dergelijke initiatieven samenwerking en kennisuitwisseling op een internationaal niveau kunnen bevorderen.

Een rommelig geheel
Vijftien hoofdstukken, verdeeld over vijf grote secties, moeten deze doelen realiseren. Na een algemene introductie volgt er eerst een onderdeel over preventie, vroegdetectie en gezondheidspromotie: hoe kan e-mental health leiden tot een meer toegankelijke en laagdrempelige zorg? Daarna verschuift de focus naar zorgmodellen en de rol van technologie hierin, bijvoorbeeld om integratieve zorg aan te bieden. Telepsychiatrie, is zo een technologie die een prominente plaats in het boek inneemt en die het best kan worden omschreven als “het gebruik van videoconferentie technologieën voor het op afstand verlenen van diensten in de geestelijke gezondheidszorg en de psychiatrische hulpverlening” (Bul, De Ruijter, Van Wingerden, & Maras, 2013, p. 437). De volgende sectie bevat een bespreking van een aantal recente tendensen in het domein, zoals digitale (zelf)hulpinterventies, online cognitieve gedragstherapie en apps voor een breed scala aan toepassingen. Ten slotte wordt er ook stilgestaan bij de gevolgen, beperkingen en risico’s van technologiegebruik, waarbij er onder meer een zijsprong wordt gemaakt naar pathologisch internetgebruik.

Hoewel de vijfdeling de lezer wat structuur biedt, blijkt al snel dat de indeling relatief arbitrair is gebeurd. De vlag dekt daarbij niet noodzakelijk de lading. Zo is een hoofdstuk over het evalueren van de effectiviteit van een e-mental healthprogramma terug te vinden onder ‘preventie. Daarnaast kan men de vraag stellen of online cognitieve gedragstherapie wel een voorbeeld is van een ‘nieuwe interventie’. Ook bij de inhoud zelf zijn er enige kanttekeningen te plaatsen. Wanneer de inhoudsopgave aan een kritische blik wordt onderworpen, valt op dat beide redacteuren een behoorlijk deel voor hun rekening hebben genomen: bij ruim de helft van de bijdrages is minstens een van hen – en geregeld allebei – coauteur. Daar is op zich niets mis mee, maar tot een echte weerspiegeling van de diversiteit van het veld leidt dit natuurlijk niet. Het is dan ook niet verrassend dat er veel aandacht besteed wordt aan telepsychiatrie, het domein waarmee de redacteurs zelf het meeste ervaring hebben. Vermoedelijk ligt hier ook de oorzaak dat een aantal innovaties slechts in beperkte mate aan bod komen: zo worden wearables zijdelings vermeld en verengen de auteurs virtual reality-toepassingen overwegend tot oudere virtuele omgevingen van enkele jaren terug, waarin cliënten voor een computerscherm werden geplaatst en waarbij – in tegenstelling tot met de meer recente 3D-brillen – nog geen ‘immersieve’, onderdompelende ervaringen mogelijk waren. Ten slotte zijn er ook een aantal bedenkingen te maken bij de eindredactie. Elk hoofdstuk vangt aan met een afbeelding die de essentie van het hoofdstuk zou moeten samenvatten, maar de meeste visuals zijn weinigzeggende, generieke foto’s. Ook de taal laat in sommige hoofdstukken veel te wensen over, met zinsconstructies in vrij gebrekkig Engels.

Ook diepgang en diversiteit
Het boek heeft echter ook sterke punten. Hoewel de redacteurs er niet helemaal in slagen om een homogeen werk te presenteren, worden topics wel gedetailleerd en diepgaand besproken. Hoe technologie regionale verschillen kan overbruggen en kan bijdragen aan oplossingen voor mondiale uitdagingen in de ggz, wordt uitgebreid toegelicht. Het is bijvoorbeeld inspirerend om te lezen hoe telepsychiatrie in de context van cultuurspecifieke hulpverlening een valabel of zelfs superieur alternatief kan zijn voor traditionele hulpverlening. Zo wordt beschreven hoe vluchtelingen psychologische ondersteuning kunnen krijgen door middel van beeldbellen. De hulpverlener is echter geen lokale professional die een beroep moet doen op de omslachtige – en in essentie invasieve – ondersteuning van een vertaler-tolk die zich in dezelfde ruimte bevindt; het is echter een professional met een gelijkaardige culturele achtergrond die van eender waar ter wereld ondersteuning kan bieden.

Naarmate men verder leest en andere toepassingen zoals smartphoneapplicaties aan bod komen, blijkt dat deze ondersteuningsvorm voldoende aandacht krijgt en diepgaand besproken wordt. Zo wordt toegelicht dat apps zowel een functie kunnen hebben als louter communicatiemedium, maar ook ingezet kunnen worden als aanvulling van traditionele therapie (de zogenaamde blended zorg). Onderwerpen als ecological momentary assessment (het ecologisch valide verzamelen van zelfrapporteringsinformatie) en ecological momentary intervention (het tijdig en gepast interveniëren aan de hand van tools die een mogelijke terugval voorspellen op basis van sensoren en door de cliënt ingegeven data) komen daarbij aan bod. Het boek ̶ en de laatste hoofdstukken in het bijzonder ̶ besteedt uitgebreid aandacht aan ethische en deontologische uitdagingen en aandachtspunten bij technologiegebruik: hoe dienen hulpverleners zich bijvoorbeeld bij voorkeur te gedragen wanneer ze accounts gebruiken op sociale media en hierbij in aanraking komen met cliënten? Technologie heeft de positie van de patiënt veranderd van onwetend en passief, naar geïnformeerd en (pro)actief; veranderingen waarvan de impact voor de arts-patiëntrelatie wordt besproken. En al deze bevindingen zijn ook voor andere beroepsgroepen van toepassing.

Inspiratiebron
Geconcludeerd moet worden dat de redactie de ambitieuze doelstellingen niet helemaal heeft kunnen waarmaken: de brede focus zorgt voor een wirwar aan bijdragen, waarbij het soms zoeken is naar de rode draad en naar homogeniteit. De sterke focus op telepsychiatrie maakt dat sommige hoofdstukken minder aansluiten bij de verwachting ook andere hulpverleningsvormen of ondersteunende technologieën veelvuldig aan bod te zien komen. Niettemin kan het boek de lezer inspireren om de verschillende mogelijkheden van technologie in de ggz te exploreren, ongeacht de hoeveelheid ervaring die hij al met dit onderwerp heeft.

Referenties

  • Bul, K.C.M., De Ruijter, A.M., Van Wingerden, M., & Maras, A. (2013). Is e-health behandeling binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie effectief? Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen, 91, 437-447. doi:10.1007/s12508-013-0142-0

Meer Lezen? e-Mental Health. Davor Mucic & Donald M. Hilty, D. M. (Eds.) Springer. ISBN 9783319208510.

Deze recensie is ook verschenen als een artikel in het Tijdschrift Klinische Psychologie.